Do or do not. There is no try. 5/500

4 jul

Op 26 januari 2013 besloot ik een jaar lang elke dag de wekker een uur eerder te zetten. Om 6.00 drukte ik 1 keer op snooze. Om 6.09 stond ik op en schreef om 6.12 ‘iets’ over design thinking. Over empathie, creativiteit of prototypen. Om 7.00 publiceerde ik zonder het na te te lezen. Soms werd het 7.30. Maar het was een jaar lang het eerste wat ik creëerde. De gedisciplineerde, vasthoudende verbeelding van mijn nieuwsgierigheid. In deze omschrijving ontbreekt het vijfde element van het creatief vermogen; samenwerken. Dat uurtje in de ochtend was pure ME time. De ontwikkeling van mijn kunstenaarschap en mijn strijd met mijn Kabouter die altijd van alles vindt van wat ik denk, maak en deel. Ik zei ook altijd dat het het beste ‘ding’ was, wat ik ooit gedaan had. En dat is natuurlijk niet heel slim. Om dat te denken en zeker niet om te zeggen. Het degradeert al het andere. Want dat is dan sowieso minder en het werpt een enorme drempel op om weer iets anders te doen in je ME time. En die drempel werd een berg toen ik met CORona nog meer ME time mogelijkheid kreeg. Alle Design Thinking workshops, trainingen en presentaties werden gecanceld. Meer ME time. Minder omzet. En het beste wat ik ook gedaan had al gedaan. Garantie voor een hardCOR crisis. Ik was eigenlijk ook wel een beetje klaar met Design Thinking ook wel Human Centered Design genoemd. Dat Human Centered was de oorzaak van een wereldwijde crisis. Onze verslaving aan (oneindige) groei; meer omzet en meer likes. Kan het ook Planet Centered? Kun je ook ontwerpen met de planeet als stakeholder. Kunnen we sowieso wel iets terug doen voor moeder aarde? In de VPRO Tegenlicht aflevering Groen Goud maakte ik kennis met John D. Liu die vanaf 1995 in opdracht van de Chinese overheid de restauratie van het Löss-plateau op camera vast legde. Sindsdien is Liu bezig met zijn wereldwijde missie om woestijnen te vergroenen en biodiversiteit te herstellen. In de aflevering zit een overvloeier die een kantelpunt in mijn denken veroorzaakte:

Ik schreef me in voor de online cursus A business approach to sustainable landscape restauration van de Erasmus Universiteit en maakte kennis met Commonland:

‘Building a new balance between ecology, economics and hope.

The world’s landscapes and ecosystems are degrading at an unprecedented pace. It’s in our common interest to build resilient landscapes, restore healthy ecosystems and create regenerative businesses for generations to come.

Now more than ever, the world needs viable solutions based on social and ecological needs, science and entrepreneurship. For this to happen, we need a practical holistic approach that everybody understands.

4 Returns: a holistic and practical framework that acts as the common language of global landscape restoration.

4 Returns is a science-based framework that is proven in practice. Developed in close collaboration with leading scientific institutes, business schools, farmers and experts, 4 Returns transforms degraded ecosystems by focusing on 4 key returns over the course of a single generation (20 years).’

20 jaar! Mijn leeftijd plus 20 was 73. Ik dacht; doen. Helaas had mijn vader zijn 1.200 ha grond in Zuid Afrika verkocht en Kabouter had nog een waslijst aan redenen om het niet te doen.

“Do or do not. There is no try.” zegt Yoda. Ik deed het niet maar de cursus en die overvloeier hadden een deurtje open gezet. Een deurtje van Human Centered naar Planet Centered. Nu ik dit zo schrijf realiseer ik me wat er toen gebeurde; Een maker genaamd John D. Liu inspireerde mij met twee in elkaar overvloeiende beelden en liet mij een hoopvolle toekomst zien die mij de inspiratie en energie gaf het deurtje verder open te duwen. En wie stond daar?

Emiel Heijnen.

Dit is goed. 4/500

3 jul

Twee dagen geleden vroeg Anna Maria of het seminar wat ik ontwikkeld had voor HKU ook online kan. Gisteren gaf ik daar via een omweg deels antwoord op door mijn online lepel experiment te delen. Hierin leerde ik dat je online gebruik kunt maken van de fysieke ruimte waar iedereen zich bevindt met de bijbehorende materialen. Vandaag wil ik een online ervaring delen die me inspireerde online gebruik te maken van het tijdstip waarop je online samenkomt. Als Janine Abbring in haar podcast ‘Dit is goed’ mij zou vragen wat ik de beste online ervaring zou vinden, zou ik met onderstaand Oerol voorbeeld komen:

Building Conversation is een platform voor Dialogical Art waarbij al 6 jaar onderzocht wordt hoe we met elkaar kunnen praten. De eerste fundamenten werden tijdens Oerol 2014 gelegd. Tijdens Oerol 2020. (Het Imaginaire Eiland) onderzochten ze verder, in vier performatieve gesprekken vanaf het moment dat de eerste zonnestralen het eiland Terschelling strelen, tot zonsondergang. 

Want hoe praten we nu met elkaar? Wat doet de sociale afstand en het gebrek aan fysiek contact met de manier waarop we ons nu tot elkaar verhouden? Worden we er ook afstandelijker van, of ontstaat er een nieuw soort nabijheid, een andere manier van verbonden zijn? En wat doet de virtuele ruimte met ons samenzijn en onze woorden? Ik heb het mogen ervaren in een

Impossible Conversation on the Future 

Hoe praat je over de toekomst? Hoe roep je beelden op van dat wat nog niet is? Voor Impossible Conversation on the Future ging Building Conversation te raden bij de Jezuïeten die een gesprekspraktijk ontwikkelden om te spreken over abstracte begrippen. Een methode waarin je met elkaar vertraagt en persoonlijke beelden verbindt, door te schrijven, te lezen en samen te spreken.

Het gesprek begon toen de zon opkwam boven het eiland Terschelling en startte om 5.11 uur. Ik was nog nooit zo vroeg opgestaan voor een Zoom meeting. De enige instructie die we kregen was dat we een groot stuk papier en pen nodig hadden en onze camera naar buiten moesten richten. Om 5.08 logde ik in en belandde in een Zoomsessie met uiteindelijk 8 anderen, onbekenden met op de achtergrond hun live, donkere buitenbeeld. Er werd niet gesproken en het voelde een beetje als gluren bij de buren. Wetende dat anderen ook bij jou aan het gluren zijn. Ongemakkelijk maar toch veilig. 8 deelnemers en een facilitator creëerde een raster van 3 bij 3. Ik kon zo mooi iedereen zien. Dat was mijn eerste inzicht; 9 is een mooi Zoom aantal.

Na de uitleg vroeg de facilitator ons allemaal persoonlijk “Doe je mee?” Iedereen deed mee en er werd ons gevraagd om in stilte gedetailleerd een moment te beschrijven waarin we ons juist wel of juist niet verbonden voelde met onszelf, de ander of de omgeving. Een moment dus. Als schrijvende werd het langzaam lichter en toen iedereen klaar was vroeg de facilitator ons wie er wilde beginnen om zijn/haar verhaal voor te lezen. Na het voorlezen bedankte hij de lezer, reageerde verder niet en vroeg weer wie zijn of haar verhaal wilde voorlezen. De 8 verhalen waren heel divers, heel persoonlijk en soms heel kwetsbaar. Niet echt het soort verhalen die je met een vreemde in de fysieke wereld zou delen. Tenzij het je therapeut is.

Vervolgens vroeg de facilitator om iets uit het verhaal van een ander te gebruiken voor nieuw persoonlijk moment waar je je verbonden voelde met jezelf, de ander of de omgeving. Weer ging iedereen in stilte schrijven en vroeg de facilitator toen iedereen klaar was wie er wilde beginnen om zijn/haar verhaal voor te lezen. Na het voorlezen bedankte hij de lezer, reageerde verder niet en vroeg weer wie zijn of haar verhaal wilde voorlezen. De 8 verhalen stonden nu in verbinding met elkaar en resulteerde in een hele sterke emotionele verbinding met die ander zonder ook maar een woord MET die ander gesproken te hebben. Een aantal verhalen was geïnspireerd op het verhaal van een mevrouw waarvan de echtgenoot op de dag van de verhuizing naar hun nieuwe huis in de slaapkamer van hun nieuwe huis was overleden. Gevoelens van troost, hoop, dankbaarheid en liefde werden via Zoom uitgewisseld met de opkomende zon als achtergrond.

Als laatste vroeg de facilitator ons om in een, twee of drie woorden de ervaring te beschrijven. Het meest voorkomende woord was ‘verbinding’. Ik had me nog nooit zo verbonden gevoeld met een vreemde. Sterker nog ik voel me zelden zo verbonden met een bekende.

Deze ervaring leerde mij dat een specifiek moment (de zonsopgang), vrijwilligheid, duidelijke regels, luisteren en schrijven in stilte en de veiligheid van thuis leidt tot het een gevoel van kwetsbaarheid en verbinding met de ander.

Het was inmiddels licht geworden. Ik klapte mijn laptop dicht. Daar zat ik. Alleen. Verbonden met vreemden. Dit was goed. Heel goed Janine.

Expedition SpaceShip Earth, 3/500

2 jul

“Kan UNSCHOOL ook online?” vroeg Anna Maria gisteren. Gisteren schreef ik over UNSCHOOL, het seminar dat ik ontwikkelde voor HKU. “Ontwikkelde? Je deed gewoon maar wat.” hoor ik Kabouter zeggen. Daar heeft Kabouter eigenlijk gewoon gelijk. Ik deed gewoon wat. Maar zie je het verschil? Ik liet het woordje ‘maar‘ weg. Ik deed gewoon. ‘Gewoon doen’ zeggen we dan vaak. “Ongewoon doen” zei Jan Rotmans laatst toen ik samen met hem besturen van zorginstellingen aan het experimenteren probeerde te krijgen. Dingen ongewoon doen. Want als je doet wat je altijd deed, krijg je wat je altijd kreeg. Rotmans over de onderwijstransitie:

Vraag een docent met ervaring hoe die de afgelopen decennia het onderwijs heeft zien veranderen en zij schiet spontaan in een burn-out. Schaalvergroting, bureaucratie en top-down structuren zijn de grote boosdoeners. Of zoals Rotmans schrijft: vroeger had je op de middelbare school een rector, twee conrectoren (die ook les gaven) en een conciërge. Nu heb je een rector, een conrector, een onderwijscoördinator, een onderwijsplanner, onderwijsmonitoren en onderzoeksmonitoren.
Het is dan ook geen hogere wiskunde om te bedenken wat er nodig is in het onderwijs: minder managers, meer leraren. Platte en horizontale organisaties met zo weinig mogelijk bureaucratie en overhead. Meer ruimte en vrijheid voor scholen en leraren om hun eigen weg te vinden en te experimenteren.
Rotmans ziet een groeiende beweging van onderop die experimenteert in het onderwijs. De overheid kan daarbij het verschil maken door deze onderwijsvernieuwing te omarmen en te helpen opschalen, en dus niet zoals nu vanuit controle en beheersing af te remmen of tegen te werken.
Daarnaast is het onderwijs cruciaal om mensen af te leveren die de duurzaamheidstransitie verder kunnen helpen. Rotmans ziet steeds meer voorbeelden van innovatieve campussen waar bedrijven en onderwijsinstellingen nauw samenwerken.

Meer ruimte om je eigen weg te vinden en te experimenteren. En die heb ik altijd gekregen bij HKU en daar ben ik HKU heel dankbaar voor. Ik mocht en mag ‘ongewoon doen’. En als je een lokaal binnenstapt voor een seminar UNSCHOOL, you must unlearn what you have learned, verwacht je geen hoorcollege met slides. Tijdens Corona liep je sowieso geen lokaal binnen. Iedereen zat thuis. Heel ongewoon. En sommige hadden hun camera niet eens aan. In het begin vond ik dat heel onbeleefd, onbeschoft zelfs. Maar een andere context veroorzaakt ander gedrag. Als ik zelf een online training volgde en de trainer ‘gewoon’ een hoorcollege gaf, vond ik het heerlijk om op de bank te liggen met mijn ogen dicht en oortjes in. Ik ben wel eens met kwijl op mijn wang een uur later wakker geworden. Heel gewoon.

Als docent/trainer vind ik Corona het beste wat me sinds 1993 is overkomen. Didactisch dan hè. Ik noem Zoom een uitbreiding van mijn ludodidactische pallet. In gewoon Nederlands; meer mogelijkheden samen spelenderwijs te leren. En ik geloof dat spel de meest krachtige en aangeboren vaardigheid is om te leren. Dus toen we na jaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaren praaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaten over online onderwijs opeens moesten doen, zag ik dat als een geweldige uitdaging.

In 2019 plakte Mauricio Catalan met duct tape een banaan tegen de muur. Het conceptuele werk bestaande uit een echtheidscertificaat en gedetailleerde tekeningen en instructies voor de juiste vertoning leverde heel veel aandacht op en hij verkocht er twee. Voor $ 120.000 per stuk. Ik dacht, dat kan ik ook, dingen tegen de muur plakken voor aandacht. Voor het geld hoefde ik het niet te doen 😉

Dus daar zat ik dan. In Zoom, camera aan met op de achtergrond, goed zichtbaar een lepel op de muur geplakt. Ik had bedacht dat als iemand over die lepel zou beginnen ik een opdracht met ze zou doen. “En als niemand er iets over opmerkt?” vroeg mijn zoon. Dan doe ik er niets mee. Dat vond hij nogal ongewoon. Ik dacht ‘ongewoon doen!’

Het bedenken, voorbereiden en uitschrijven van een opdracht kost tijd en aandacht en het feit dat het misschien helemaal niet uitgevoerd zou worden, leverde een bijzondere spanning op. Die spanning loopt op naarmate de tijd verstrijkt. Zou ik teleurgesteld zijn als niemand er iets over op zou merken en we dus die opdracht niet zouden doen? Ja. Maar aan de andere kant zou ik hard kunnen lachen om het feit dat we het niet doen terwijl ik zeker weet dat een aantal studenten zich afvraagt wat die lepel daar doet maar het om wat voor reden niet vragen.

Na 35 minuten verscheen er een bericht in de chat:

“Cor, niet om het een of ander maar waarom hangt er een lepel aan de muur?”

Ha! Ik feliciteerde de vraagsteller die zei dat de vraag van een andere student via Whatsapp was gekomen. Deze wilde niet/durfde niet/of wist niet hoe de chatfunctie werkte?? Het was in ieder geval het startschot voor de vrijwillige poging tot het overwinnen van overbodige obstakels: pak een lepel, maak een foto met de lepel in beeld en maak van deze foto je Zoomachtergrond. Je hebt 10 minuten. Na een paar minuten verschenen de eerste achtergronden. De een nog gaver dan de ander. Het voelde een beetje als een adventskalender waarvan de luikjes één voor één open gingen.

“Hoe maak je een Zoomachtergrond?” vroeg een van de studenten. Voordat ik het antwoord kon geven legde een medestudent het al uit. In rap tempo verschenen er nog meer ‘lepelzoomachtergronden’. Een aantal schermen bleven helemaal zwart. Die waren misschien toch in slaap gevallen.

Afgezien van dat het spannend en nieuwsgierig makend is om dit soort ’triggers’ te implementeren, had ik gebruik gemaakt van het feit dat iedereen thuis is. Een veilige omgeving met spullen zoals een lepel om dingen mee te maken. Te experimenteren. Ongewoon te doen.

Online onderwijs bood/biedt me de mogelijkheid gebruik te maken van het voordeel van ’thuis’ zijn. Het klaslokaal wordt de wereld. Dat zou eigenlijk niet ongewoon moeten zijn. Het experiment zette mij AAN om veel meer gebruik te maken van de wereld om ons heen. En het scheelt mij een hoop gesjouw met bananen en lepels naar het klaslokaal.

Expedition SpaceShip Earth 2/500

1 jul

“Cor, zou je een seminar willen organiseren?” vroeg mijn leidinggevende 3 jaar geleden. Bij Hogeschool voor de Kunsten Utrecht (HKU) waar ik sinds 2006 part-time werk bieden we onze studenten seminars aan. Dit zijn periodes van twee weken waarin HKU studenten kunnen kiezen uit een breed aanbod te leren vaardigheden. Van artificial intelligence tot me-commerce, van omgaan met stress tot bio-art. Het seminar zou plaats vinden in juni, aan het eind van het jaar en ik was vrij om te doen wat ik wilde. Was het een idee om juist een aantal dingen af te leren en daarmee ruimte te maken voor nieuwe dingen? Wat als ik dingen zou doen die ik nog nooit gedaan had? Mijn onderwijs Bucketlist was inmiddels lang genoeg om jaren vooruit te kunnen. Dit was een kans om af te leren nieuwe dingen niet te doen. Af te leren dingen uit te stellen, af te leren bang te zijn dat het fout gaat. Bij het eerste idee wat bij me opkwam had mijn saboterende Kabouter heel snel heeeele goede redenen om het niet te doen. Variërend van “Dat durf je toch niet” tot “Dat kun je niet maken”. En toen ik me voorstelde die dingen toch te doen voelde ik de spanning. Stel je voor!

Twee weken later belde mijn leidinggevende. Ik was inmiddels echt enthousiast geworden van het idee. Ik noemde het UNSCHOOL, you must unlearn what you have learned. Geïnspireerd door de quote van Yoda. Tijdens het telefoongesprek vroeg mijn leidinggevende naar de leerdoelen, de toetsvorm, de beoordelingscriteria, de rubric en nog wat verplichte onderwijs protocollen en of ik de antwoorden in het daarvoor bestemde formulier wilde vastleggen. Mijn “Nee, dat is niet UNSCHOOL” snoerde zelfs de mond van mijn Kabouter. Ik wilde afleren om alles van te voren vast te leggen in woorden en deze op de milligram te wegen en te wikken. Het onderwijskundige betoog van mijn leidinggevende was koren op de molen van Kabouter. Misschien was het toch niet zo’n goed idee. Het was alsof ik in de Muppetshow was beland met Waldorf en Statler op hun balkonnetje:

That was Great!

That was wunderful.

Bravo!

I loved that.

That was Great.

Ah that was pretty good.

It wasn’t bad.

There were parts of it that weren’t very good though.

Could have been a lot better.

I didn’t really like it.

It was pretty terrible.

It was bad.

It was awful.

That was terrible.

Take him away.

Heyyyy boooooooo.

Boooooooo.

Vastgelopen in de regels van het onderwijs en een confrontatie met de examencommissie vermijdend besloten we het even te laten rusten. Een week later belde mijn leidinggevende met het idee om de leerdoelen achteraf te bepalen. Door de leerlingen zelf. Dus niet wij VOORAF maar zij ACHTERAF. Briljant.

De twee weken waren de leukste en beste onderwijsweken uit mijn HKU periode. Gedurende twee weken deed ik elke dag iets van mijn Bucketlist of iets wat gewoon op mijn of het pad van de studenten kwam. En elke keer vroeg ik de studenten een voor een “Doe je mee aan deze vrijwillige poging tot het overwinnen van overbodige obstakels”?

Aan het eind van de twee weken schreven ze een handgeschreven brief waarin ze toekomstige, twijfelende seminar deelnemers UNSCHOOL aanbevolen of juist niet. Met argumenten. Gedetailleerd. De 18 UNSCHOOL deelnemers schreven 18 aanbevelingsbrieven waarin ze uitgebreid beschreven wat ze hadden (af)geleerd. Het niet weten wat je gaat doen, hoe het gaat lopen, is heel spannend. Maar het zorgt voor verbinding. Een experiment wat je samen aangaat. En experimenten kunnen niet fout lopen. Ze lopen soms anders.

En anders liep het.

“Kan UNSCHOOL ook online?”

Die stond nog niet op mijn Bucketlist.

Expedition SpaceShip Earth 1/500

30 jun

Gisteren was ik te gast op het ‘Ondernemers made for change’ event van Triodos in hun door Rau Architecten ontworpen hoofdkantoor. Ik ben een enorme fan van Thomas Rau. In zijn Tegenlicht aflevering ‘Het einde van bezit’ maakte ik kennis met de gloeilamp van Livermore die al meer dan 100 jaar brandt. Terwijl er al meerdere webcams zijn versleten die het beeld van de lamp online streamen. De lamp werd geproduceerd voordat de grootste lampfabrikanten besloten dat een lamp stuk gaat na 1.500 branduren. Fabrikanten zadelen ons op met ‘georganiseerde problemen’. Zodra je het product hebt gekocht is het JOUW probleem. Maar wat als je nu niet betaalt voor ‘bezit’ maar voor gebruik. Enfin. Kijken dus.

De reden dat ik op het evenement was, was dat ik mijn nieuwe ‘Expedition SpaceShip Earth’ project wilde pitchen, het verhaal wilde oefenen. En ik kan je vertellen dat kan beter. Heel veel beter. Woordenworstelend en zinnenzoekend zocht ik naar bevestigend ja knikken van de luisteraar. Of andere hoopvolle bevestigingen van begrip, enthousiasme of verbinding. Als er geen vragen worden gesteld is dat meestal geen goed teken. Het kan heel stil zijn in het gebouw van Rau. Doodstil. Die stilte was dan hèt moment om mijn ‘visitekaartje’ te geven. Een QR code met de link naar de site.

“Heel modern.” zei iemand om vervolgens heel snel aan te sluiten in de rij voor de gratis ijsjes. Een gratis bol ijs was aantrekkelijker dan mijn verhaal over de aardbol. Dat we passagiers zijn op ruimteschip aarde. Dat we geen handleiding hebben voor het gebruik van de aarde. Dat Expedition SpaceShip Earth je verandert van passagier naar bemanning. Dat gedragsverandering begint bij bewustwording. Dat “Art the way to the heart” is (dank Ton Rodenburg). Dat experimenteren, maken, spelen en falen leuk èn ongemakkelijk is. Dat kwetsbaarheid verbindt. Dat doen het denken verder brengt.

Dat.

IJsje?

Er is hoop

14 aug

Het werk van de Deense kunstenaar Jeppe Hein nodigt uit om te spelen en met andere mensen in contact te komen. 

Met een gezonde dosis humor wil hij mensen raken en verleiden om elkaars ervaringen te delen. Mijn ervaring met zijn werk ‘Three wishes for you (Love, Hope, Faith) 2021 wil ik graag met jullie delen. Getipt door onze kunstbuurbroeder Ap bekeken mijn vrouw en ik vorige week de tweede editie van de Biënnale Kunst in de Heilige Driehoek, samengesteld door Hendrik Driessen, voormalig directeur van De Pont in Tilburg, en Rebecca Nelemans, kunsthistorica, schrijver en tentoonstellingsmaker. In en te midden van drie kloosters word je adem benomen en een glimlach ontlokt door de omgeving en de werken. Op aanwijzen van Ap waren we achteraan begonnen om in alle rust 4 videowerken van Bill Viola te zien. Tijdens de koffie erna las ik in het programmaboekje welke werken er op de volgende locatie te zien waren. Ik las over Anish Kapoor en Jeppe Hein. Over die laatste:

‘Als een feestelijke verrassing hangen de ballonnen onder het plafond. Voor het grijpen – of toch net niet? Licht en vrolijk, glanzend en spiegelend roepen ze even het kind in ons wakker’

Na het serene, contemplatieve moment met twee werken van marmer van Kapoor in de gebedsruimte van de nonnen was het kind in mij wel toe aan het speelkwartier. Hoorde ik daar een bel?

De lucht betrok weer die wisselvallige dag en op de achtergrond begeleidde de  regendruppels op het grind ons richting de ruimte waar het werk van Hein hing.

Mijn vrouw liep voor me in de tussenruimte direct door naar de binnenplaats waar een werk was geïnstalleerd in de voormalige waterput. Ik stond nog even te hannesen met mijn mondkapje alvorens de tussenruimte te betreden. In de ruimte van ongeveer 3 bij 5 meter was links een trap omhoog en hingen rechts in de hoek de drie ballonnen tegen het plafond. Ik liep ernaartoe en bekeek ze van een afstandje en zag in hun spiegeling dat bij de ingang meer mensen de ruimte betraden. Het werk deed me denken aan de grote spiegelende ballonnen honden en bloemen van Jeff Koons die ik had gezien in het Gugenheim in Bilbao en Fondazione Prada in Milaan en ik vroeg me af of de ballonnen vast zaten aan het plafond. Uitgenodigd door de kunstenaar in de introtekst pakte ik een van de drie lintjes en bewoog het heeeeel zachtjes naar beneden.

Je kent misschien het televisiespel nog waar de deelnemer licht door de knieën gebogen een van de vallende stokken probeert te vangen en dan mist. Op het moment dat ik het lintje had aangeraakt leek het alsof ik in die televisieshow was beland. Het knoopje waar het lintje aan vast zat viel voor me op de grond en een lichte siddering ging door mijn lijf. Ik schrok me kapot. Om me een fractie van een seconde later te beseffen dat dit natuurlijk de bedoeling was van de kunstenaar; ‘Jeppe Hein nodigt uit om te spelen en met andere mensen in contact te komen……Licht en vrolijk, glanzend en spiegelend roepen ze even het kind in ons wakker’. Nou ik was KLAAR wakker. Klaar om te spelen. Ik was beland in een vrijwillige poging tot het overwinnen van overbodige obstakels. Ik bekeek het knoopje van de ballon en zag dat er een heeeeeel klein magneetje in zat, maar hoe kreeg ik dat weer aan die ene nog steeds aan het plafond hangende ballon?? Ik keek naar links en schatte in of ik staand op de trap bij de ballon kon. Een keiharde zoemer klonk in mijn hoofd als het teken van een foute oplossing. Mijn volgende idee was het lint met knoopje met een tegen de zwaartekracht in bewegende slingerbeweging van mijn rechterarm tegen het magneetje van de aan de plafond hangende ballon te gooien en het kunstwerk zo weer in originele staat te brengen zodat het klaar was voor een volgende deelnemer. Ik schatte mij kansen klein in, heel klein en op het moment dat ik de slingerbeweging wilde inzetten klonk er een streng en resoluut “Meeeeeeneeeeeeeeeerrr”.

Was het de stem van de hoofdnon die als een vangnet op mij neerdaalde en mij deed bevriezen als een betrapt jochie met zijn hand in de koekjestrommel? Was het de stem van mijn kleuterjuf die me ooit vertelde dat ik te oud was voor de waterbak? Nee, het was de stem van de suppoost die mij met vuurspugende ogen boven haar mondkapje aankeek en haar “Meeeeeeneeeeeeeeeerrr” nog eens herhaalde maar mij nu recht aankeek. Ze was een kop kleiner maar het leek toch echt alsof ze op me neer keek van grote hoogte. Gelukkig kon ze mijn van schrik opengevallen mond niet zien vanachter mijn mondkapje en het wegslikken van mijn angst niet horen. Ik was blij dat ik net naar de wc was geweest. ‘Jeppe Hein nodigt uit om te spelen en met andere mensen in contact te komen……Licht en vrolijk, glanzend en spiegelend roepen ze even het kind in ons wakker’.

Ahaaaaa dacht ik, voor de tweede maal wakker geschud door Jeppe Hein, dit is onderdeel van het werk. Zij hoort erbij. Ik trok mijn hand met koekje terug uit de koekjestrommel en nam een hap. “Is dit niet juist de bedoeling van de kunstenaar?” zei ik. Ze knipperde een paar keer met haar ogen en zei “Dit is respectloos naar de kunstenaar. Ik zal uw naam moeten noteren.”

Me nu volledig overgevend aan het spel waarin ik was beland, pakte ik het papier en de pen uit haar handen en schreef mijn naam in grote leesbare letters op, inclusief 06 nummer. Ik overhandigde haar het papier en wachtte de volgende stap af. “Loopt u mee naar het kantoor dan bekijken we hoe we dit gaan afhandelen.” Mijn twijfel of dit nu wel echt bij het werk hoorde was nu volledig verdwenen en met een grote grijns liep ik als Randel P. McMurphy (Jack Nicholson)  achter nurse Ratched aan. One flew over the cucckoo’s nest. Ik riep op afstand naar mijn vrouw dat ik even mee moest en zo terug zou zijn. “Volgt u mij maar. U bent de vierde vandaag” zei ze.  Als een ondeugende puppy volgde ik op een halve meter. We liepen een 60 meter richting het poortgebouwtje aan de rand van het klooster. “Wacht maar even hier.” Ze zette me in de imaginaire hoek met een ezels muts op. Ik was benieuwd wie de drie andere waren geweest en wachtte in spanning af naar wat het volgende ‘level’ van dit spel ging brengen waarop er een lange man met een ladder uit het poortgebouwtje verscheen en op me af liep. Hij legde zijn hand even geruststellend op mijn schouder en zei “Je bent de vierde vandaag” om vervolgens met ladder in de ene hand en het ballon lint in de andere richting Love, Hope, Faith te wandelen.

“Komt u mee?” was geen vraag maar een bevel. Ik liep nu naast haar en zei “Geweldig hoe u in uw rol blijft.” Ze keek me nog steeds streng aan. “Echt heel goed!” vulde ik nog een keer echt gemeend aan. Zonder te reageren stiefelde ze richting de twee achtergebleven ballonnen. Daar aangekomen had de lange man zijn trap inmiddels naast het trapgat gepositioneerd. “Om nog meer ellende te voorkomen en meneer te behoeden voor een val in het gat met ladder en al, houd ik de trap maar even stevig vast.” Zei ik. Mijn onzichtbare glimlach en samengeknepen pretoogjes  zochten contact met de suppoost die me aankeek maar geen spier verrekte. Deze vrouw verdiende een Oscar. Mijn vrouw had zich inmiddels ook bij ons gevoegd. Zo kon zij ook meemaken hoe ik mijn uiterste best deed om deze performance met respect voor de kunstenaar en het klaarwakkere kind in mij in stand te houden.

Met in mijn ene hand het programmaboekje en de andere stevig om de ladder geklemd hoorde ik de suppoost luid en duidelijk gebiedend “Iedereen deze ruimte verlaten, het kunstwerk wordt hersteld” roepen. Iedereen werd streng naar buiten gekeken en de twee zware deuren vielen in het slot. De stilte echode in de ruimte. Het moment van de verrijzenis van het kunstwerk was aangebroken. Alleen de invallende zonnestraal ontbrak maar ik hoorde toch echt engelen zingen. Met een hand aan de ladder en in de andere het magneetknoopje met lint rees de lange man omhoog. Met een soepele beweging klikte hij het knoopje aan de ballon. Dit leek me een uitstekend moment voor de suppoost om me uit naam van de kunstenaar te bedanken voor mijn deelname. Toen dat niet kwam zei ik “U heeft vast en zeker een theaterachtergrond”. Waarop zei haar hoofd licht kantelde en zei “Nee hoor, maar bedankt voor alle complimentjes.” Ze opende de deur en liet ons vrij. 

“Zoooooo die was echt goed!” zei ik enthousiast tegen mijn vrouw die me vervolgens hoogst verbaasd aankeek en zei “Nee joh, die was bloedserieus die speelde helemaal geen rol.” Waarop ik haar probeerde uit te leggen dat de suppoost 100% zeker onderdeel was van het werk en dat ik een van de vier was geweest die de uitnodiging van Jeppe Hein ‘om te spelen en met andere mensen in contact te komen’ met duim en wijsvinger trekkend aan een ballon lint had aangenomen. “Als dat zo was geweest had ze je moeten belonen en niet als een klein kind moeten straffen.” 

“Nee ze volgde een script. Zeker weten.” 

“Echt niet.”

“Zeker wel.”

Al welles en nietesend liepen we tegen de looprichting naar de uitgang en werden we vriendelijk aangesproken door een dame met koffiekan en boodschappentrolley. Of we het allemaal konden vinden. Ik vertelde dat ik net onderdeel was geweest van het werk van Jeppe Hein en dat ik het zo geweldig goed vond hoe de suppoost in haar rol bleef en het script volgde. “Script volgde?” vroeg ze. De dame bleek de vrijwilligerscoördinator te zijn en zei “Nee hoor, er is geen script, we werken met zoveel vrijwilligers.” Vanuit mijn ooghoek trok mijn vrouw een heel blik ‘zie je wel’ open om de vrijwilligerscoördinator de cover van het programmaboekje te laten zien, waarop ze met een mix van verontwaardiging en verbazing zei “Ja, die is heel misleidend. Een fijne dag nog.”

Better, stronger, faster

25 mei

Als je me vorig jaar had gevraagd om te gaan wandelen, had ik je waarschijnlijk geantwoord “Hoezo? We kunnen toch met de auto,

of de motor,

of de trein,

of de fiets.

Ik ga toch niet lopen. Ik haat lopen.”

Je verplaatsen van A naar B doe ik het liefst zo snel mogelijk. Je verplaatsen van A in een rondje naar A vond ik echt zonde van mijn tijd. Als klein ventje wilde ik al ‘better, stronger, faster’. Deze drie woorden hebben een diepe indruk op me gemaakt. Ze komen uit de jaren 80 serie ‘De man van 6 miljoen’ met in de hoofdrol Lee Majors, een gecrashte astronaut die met technologie wordt opgelapt en uiteindelijk ‘better, stronger, faster’ is dan iedereen. De bionische man. Ik kan de tune nog steeds mee neuriën en zie mezelf weer in slow motion over het schoolplein bewegen.

Als bionisch minimannetje ging ik op voetbal en compenseerde mijn gebrek aan techniek met mijn snelheid. 10 jaar lang rende ik het liefst van eigen helft zo hard mogelijk naar het doel. Iemand had me toen moeten wijzen op het feit dat wat ik deed eigenlijk op de atletiekbaan thuis hoorde.

Het ontbreken aan bionische benen compenseerde ik met een fiets die mij nog ‘faster’ maakte. Jarenlang trapte ik zo hard mogelijk om ze snel mogelijk op B aan te komen. Carbon, Garmin, gelletjes, trainingsschema’s allemaal met een doel. Of waren het er drie?? Better, stronger, faster.

De ultieme verbinding met technologie vind ik een auto. Je zit in het ontwerp en bent met al je ledematen en zintuigen verbonden met de technologie. Nog intenser is dan de motor. Hangend in een bocht met een paar millimeter rubbercontact met het asfalt.

De man van 6 miljoen was mens en technologie. De technologie zat in zijn lijf. Kevin Kelly heeft het in zijn boek ‘De wil van technologie.’ over het Technium. Mens en technologie zijn een. Zonder technologie zijn wij het lachertje van deze planeet. Maar met kunnen we rijden, vliegen, onderwater ademen en naar de maan. Technologie geeft ons superkrachten…met alle gevolgen van dien.

Maar wat gebeurt er als je ontdoet van al die technologie? Dan loop je in je nakie in het bos. Nee dit is geen bruggetje naar de tragikomische en dramatische Vlaamse film De Patrick uit 2019 waarin Patrick (38) met zijn ouders op een naturistencamping woont. Als zijn vader sterft, heeft hij de leiding, maar hij is zijn favoriet stuk technologie kwijt. Een hamer. Zijn zoektocht naar die hamer wordt een existentiële zoektocht.

Met de fiets, motor of auto is het contact met de planeet gescheiden door meerdere lagen. Ook als je wandelt scheiden je sokken en de zolen je van direct contact met de aarde. Maar zonder versnelling van een 6,9 kilo lichte Merida, een 900 cc Ducati Superlight of een Alfa Romeo Spider ben ik aangewezen op mezelf. Op mijn lijf en mijn hoofd. Zonder versnelling kan ik je weer contact maken. Met mezelf en mijn omgeving. Niet van A naar B maar stap voor stap van links naar rechts. En om me daar bij te helpen heb ik toch weer een stuk technologie gekocht. Mijn Leki trekking poles. Ze helpen me met mijn balans en ondersteunen me bergop met de 14 kilo op mijn rug.

Wandelen?

Beter, sterker, trager.

De titel van deze post schrijf ik later.

7 jan

Ik word nergens zo gelukkig van als van uitstellen. En dan vooral de hele kleine dingen. De makkelijke dingen. De dingen die, als ik ze zou doen, zo gebeurd zijn. Maar ik doe ze niet, ik stel ze nog even uit. 
En als ik ze dan op het aller aller aller allerlaatste moment doe en daar dan nog sneller mee klaar ben dan ik dacht, en het ook nog makkelijker was dan ik dacht, ja dan overvalt me een zaligmakend gevoel waar geen dope tegenop kan.
Uitstellen. Dat zouden meer mensen moeten doen.

Wat ik van mijn coach leer.

6 dec

Sinds mei 2018 heb ik een coach. Een man. Het had net zo goed een vrouw kunnen zijn maar deze kwam op mijn pad en het klikte meteen. Het voelde gelijk heel vertrouwd. Ik zie hem elke 2 weken. Hij leert me beter te luisteren. Ik begrijp hem namelijk niet altijd. Soms moet ik echt mijn best doen te doorgronden wat hij bedoelt. Hij heeft soms aan een paar woorden genoeg en blijft dat dan herhalen. Ik denk dan wel eens dat ik bij ieder ander dat geduld niet zou kunnen opbrengen.

Een van de dingen die ik van hem leer is duidelijk communiceren. Het managen van verwachtingen. Ik heb nogal de neiging om te hard te gaan zonder te communiceren. Hij leerde me de ‘als…. dan’ strategie. Als ik met anderen bezig ben en ik wil iets anders doen dat ik dat dan aangeef in een ‘als dan’. Als we dit hebben afgerond dan stoppen we.

Ik merk ook dat ik door de tijd die we samen doorbrengen ik anderen veel beter van feedback kan voorzien. Mijn ervaring met feedback is er een die gericht is op het negatieve, wat niet goed is. Mijn coach wijst mij elke keer weer op de ‘ja en’ aanpak. Wat de ander ook doet je zegt altijd ‘ja en’. Je blijft er door verbonden en blijft in mogelijkheden denken. Soms heel handig als je de ander een andere (of jouw) kant op wil sturen.

Hij is ook fan van wandelen. Daar moest ik echt aan wennen. Voor mij is wandelen eigenlijk nooit een optie. Waarom wandelen als je kunt fietsen. Zijn tempo is ook nog eens heel traag. Toch merk ik dat in die vertraging mijn gedachten tot rust komen en ik het idee heb dat ik meer in het moment ben. Soms praten we heel lang niet….voor mijn gevoel dan. Mijn onbewuste gaat dan aan het werk met het oplossen van allerlei zaken. Hij leerde me ook altijd een aantekenboekje mee te nemen en een potlood. Je weet namelijk nooit wanneer er een idee of inzicht binnen komt.

De laatste keer spraken we voor het eerst af in een museum. Staand voor een enorm wandkleed leerde ik hem een Visual Thinking Routine. In plaats van de gemiddeld 10-20 seconden die ‘men’ besteed aan het kijken, zochten we naar elkaars ‘Ik zie….’. Door samen nieuwe dingen te doen leren we van elkaar. 

Ik gun iedereen een coach zoals Jóa, mijn kleinzoon. 

Foto: Noëlle Noltee

Tijd voor imperfectie.

3 dec

In 1991 behoorde ik tot de 12 deelnemers die in de Ardennen streden voor twee zitplaatsen in een Landrover waarmee een jaar later 1.600 kilometer door Brazilië gereden zou worden. Als niet rokende begin twintiger had ik meer met de Camel man dan met de Marlborro man. Ondanks dat je tussen mijn O-benen moeiteloos een Shetland pony schuift, zit ik toch liever in een 2 PK eend. De teleurstelling was dan ook groot toen ik na drie dagen van droppings, bruggen bouwen, abseilen, lieren en dwars door de jungle van de Ardennen rijdend niet werd gekozen. Ik rook sindsdien 2 pakjes Marlborro per dag en ben de klap nooit echt te boven gekomen. Toch heeft het me ook het een en ander geleerd. Dat zal ik proberen toe te lichten. Ik heb een horlogetik. Op mijn zevende verjaardag kreeg ik van mijn moeder een horloge. Een UNION ancre, SHOCKproof, secondewijzer, lichtgevende wijzers en uren. En als je als 6 jarig ventje samen met je moeder in de mooiste juwelier van Dordrecht je een weg baant door het pluche, je op de lederen zetel klimt en vol verwachting urenlanglijkende momenten wacht totdat de verkoopster met satijnen handschoenen JOUW horloge om je linkerpols(je) vastmaakt, dan heb je een horlogetik. Als je vervolgens op je zevende verjaardag in de klas in hypnose gebracht door de ronddraaiende secondewijzer en het zachte getik je ogen niet van het wonder van de techniek kan afhouden en je totaal niet door hebt dat DE JUF naast je lessenaartje staat die vervolgens met een soepele beweging, die me achteraf deed vermoeden dat zij haar miezerige loontje aanvulde als zakkenroller, mij ontdeed van mijn verjaardagskado, ja toen bleek dat ik niet SHOCKproof was. Het was januari en juli van dat jaar weigerde ik DE JUF een hand te geven. U begrijpt waarom.

U zult dan ook zeker begrijpen dat ik zeer in mijn nopjes was toen ik 14 jaar later werd gebeld door (een andere) juwelier in Dordrecht die in de krant had gelezen dat ik was geselecteerd voor de nationale selectie van de Camel Trophy. Het leek haar een aardig idee om mij een Camel Trophy horloge kado te geven en de krant daar een stukje over te laten schrijven. Ik had inmiddels een aardige collectie horloges maar nog geen Camel Trophy horloge. Die paste wel om mijn pols maar niet in mijn budget. Het 349 gulden kostende uurwerk werd het kopstuk van mijn collectie en ging natuurlijk mee naar de Ardennen. En toen gebeurde het. In de nacht van zaterdag op zondag werden we midden in het bos gedropt en moesten we door het dichte bos terugrijden naar het startpunt. Even voor de duidelijkheid. Er was geen weg of pad. Hoe ze die Landrover daar gekregen hebben is me nog steeds een raadsel. De verstralers boden een surrealistisch beeld waarin de bomen tot leven leken te komen. Door het heftig heen en weer bewegen van de Landrover, slaapgebrek, onervarenheid, verkramping en klamme handjes had ik moeite mijn handen aan het stuur te houden en op het “hier naar links!!!” van mijn navigator schoot mijn linkerhand van het stuur, mijn horloge tegen de rolbeugel en mijn voet van de koppeling. De motor sloeg af. Het was doodstil. De verstralers hadden de bomen bevroren en ik hoorde alleen het tikken van mijn horloge. Of was het mijn hart? Langzaam draaide ik mijn linkerpols…..

Mijn navigator vroeg zich waarschijnlijk af waarom ik precies nu wilde weten hoe laat het was.

Mijn Camel horloge was nog heel. Er zat een 2mm bij 1 mm kras op de wijzerplaat. Een herinnering aan een fantastische ervaring. Ik denk dat dat het eerste moment was waarop ik me bewust werd van de schoonheid van imperfectie. Krassen, scheuren, littekens en rimpels hebben een verhaal. Ze zijn het bewijs dat we leven. Daar spuit je geen botox in of plamuur op.

%d bloggers liken dit: