In gesprek met Til Groenendijk. Deel een.

16 mei

Dag Cor.

Dag Piet. Had ik je al eens verteld dat ik een half jaar geleden een heel leuk en leerzaam gesprek had met een docent van HKU over mijn afstudeerproject?

Nee dat geloof ik niet.

Til Groenendijk heeft een Master Kunstgeschiedenis is werkzaam bij HKU als senior docent vakdidactiek, is docent didactische cursus voor HKU en docentenonderzoeker kunsteducatie & creativiteit in het voortgezet onderwijs bij kenniskring Lectoraat Kunsteducatie. En Til wist mijn energie toen goed te sturen en hielp “de Ferrari zonder stuur” zoals iemand mij ooit noemde, prachtig op de weg. We spraken over het A La model van veel kunst educatieve toepassingen. Het namaken van een kunstwerk gaat vaak alleen over het medium en de vorm.

Om mijn ontwerp uitdaging uit te leggen liet ik Til toen dit plaatje zien:

kidsmuseum.001

Het geeft mooi aan wat de huidige situatie is. Kids zijn wel degelijk nieuwsgierig. Ze willen weten wat er achter dat rooster zit.

kidsmuseum.002

Maar als je uitzoomt zie je de werken hangen die het af moeten leggen tegen een ventilatie rooster. Waarom? Omdat ze niets weten over de inhoud, niet nieuwsgierig gemaakt zijn en er dus langs rennen of denken “pffffff dat kan ik ook”.

kidsmuseum.003

Als je kids wilt leren kijken naar kunst moet je ze meenemen in de inhoud. Til kwam met een fantastisch voorbeeld van fotograaf Rineke Dijkstra.

“In I See a Woman Crying (Weeping Woman), Dijkstra used Picasso’s The Weeping Woman (1937) in the Tate Liverpool as the distraction device for a group of English schoolchildren, who were asked to describe what they saw in the painting which never appears on screen.”

dijkstra_weepingwoman

Waardoor ik weer moest denken aan Man bijt Hond waarin kinderen uitleggen wat ze zien terwijl ze naar wereldberoemde werken kijken.

“Ik zie bladeren ik zie voedsel ik zie………”

Tussen november 2015 en dinsdag 10 mei 2016 is er veel gebeurd. Afgelopen dinsdag praatte ik Til bij en leerde ik weer veel van Til…en hadden we ook gewoon een hele gezellige avond.

Niet onbelangrijk.

Zeker niet. Zo’n avond waarvan je energie en inspiratie krijgt. Vorige week dinsdag had ik het met  Til o.a. over het model van Emiel Heijnen, een model dat zij ook goed kent.

Wat was haar kijk op het model?

Til gaf me een mooi voorbeeld om de zogenaamde affinity space van mijn 10 jarigen in kaart te brengen.

Affinity space? Dat moet je me nog even uitleggen.

Emiel Heijen zegt het mooi: “Jongeren putten uit de culturele wereld  om heen heen en dan vooral uit de populaire cultuur. De wereld van internet, tv, reclame, film, muziek en games is toegankelijk, veelzijdig en aantrekkelijk en vormt daarmee een rijke inspiratiebron.” Als jongeren zich met anderen verdiepen in een deelaspect van de populaire cultuur wordt dat door James Paul Gee een affinity space genoemd. Volgens Gee bieden affinity spaces krachtige leermogelijkheden omdat het ontmoetingsplaatsen zijn voor mensen met vergelijkbare interesses en vaardigheden. Til vertelde me dat het door de leerlingen laten maken van een foto van hun kamer een mooi beeld geeft van hun interesses en vaardigheden; de spiegels van hun affinity spaces.

Vervolgens stelde Til voor nog een stukje van John Dewey te lezen.

Maar daar heb me me al eerder over verteld. Dat kenners in het model van Heijen de uitgangspunten van Dewey (1902!) en Tyler (1949) herkennen. Moesten volgens die twee onderwijsdoelen niet gebaseerd zijn op: de leerling, gespecialiseerde kennis en de samenleving.

Je hebt een uitstekend geheugen Piet. Heijnen voegde daar ‘de sociaal-culturele context’ aan toe. Ik liet Til deze zien, die ik snel uit mijn tas had gepakt:

dewey

Waar had je die vandaan dan?

Het is de eerste tekst die in ‘Remix je curriculum!’  van Heijnen staat.

Dat begon dus goed.

 

Til vervolgde dat ze vond dat Dewey ook een hele mooie opvatting heeft over kunst als een ervaring. Wat ze als “best een lastige” benoemde want, vervolgde ze “door het modernisme heeft de beeldende kunst zich heel erg verzelfstandigd, is geïsoleerd geraakt van de samenleving. Door de komst van musea, de galeriewereld. Eigenlijk vrij recent. Als je kijkt in de geschiedenis is dat nog geen twee honderd jaar. Esthetica is nog geen twee honderd jaar oud. Dus denken over kunst zoals wij dat nu doen is relatief jong. Dewey grond zijn denken heel sterk in twee poten. Wij zijn mensen. Wij zijn afhankelijk van de omgeving waarin wij functioneren. Daar doen wij onze ervaringen op. En interactie met anderen. Interactie met de omgeving en interactie met anderen. Dat zijn onze ervaringen. En we hebben weliswaar kunst in apart domein gezet maar kunst is er altijd geweest alleen heette het toen geen kunst. En Dewey zegt het nog wat scherper, in die zin, dat mensen soms ervaringen opdoen die zich onderscheiden van alledaagse ervaringen en vaak zijn dat esthetische ervaringen. Dewey koppelt dat niet alleen aan ervaringen met kunst, die zijn heel specifiek esthetisch, maar iedere ervaring die een bepaalde kwaliteit heeft en die leidt tot betekenisvorming, ziet hij als een ervaring met een esthetisch element. Bij de professionele kunst zit je al snel in de high art maar kinderen die niets met high art hebben, hebben ook esthetische ervaringen op allerlei gebieden.

Interessante kijk van die Dewey…en mooi uitgelegd door Til!

En getriggerd door de opmerking dat ook kinderen esthetische ervaringen hebben gaf ik het voorbeeld van Brian Eno. Hij gaf de volgende definitie van kunst:

Art is everything that you don’t have to do.

Eno: “Wat ik daarmee bedoel is dat er bepaalde dingen zijn die je moet doen om in leven te blijven. Je moet eten maar je hoeft geen cake te decoreren. Wij maken van ons eten soms een ingewikkelde, gestileerde activiteit.

En wat dacht je van kleding. Die heb je nodig. Maar je hebt geen Dior jurk,  Doc Marten laarzen of Chanel jas nodig om te overleven. Dus, nogmaals we hebben een essentiële behoefte – onszelf kleden – maar we stileren, verfraaien en versieren.

En beweging. We moeten bewegen. Maar we hebben niets aan de Rumba, Tango en de Charleston. Dus zelfs iets zo eenvoudig als beweging weten wij mensen te stileren in verschillende vormen.

En met communiceren is het al niet anders. We moeten communiceren want we werken en leven samen. Maar ook hier doen we veel meer dan alleen maar communiceren: we schrijven epische gedichten, popsongs en symfonieën en reclame enzovoort enzovoort. Dus ook met communiceren doen we veel extra dingen dan alleen communiceren.

Wat dus kenmerkend is, is dat het allemaal gestileerd is. En niet zomaar willekeurig. Wij geven veel over wat we doen. Er zijn mensen die zeggen – ‘Daar wil ik nog niet dood in gevonden worden’. Of: ‘Ik denk niet dat ik zonder mijn Bjork albums kan leven’. Of dingen als: ‘Welke kleur zal ik mijn haar verven? Het is een echte crisis.’ Dus mensen investeren veel van hun denken in hoe ze zichzelf stylen. En, in feite laten we dat elke dag zien. Niemand is hier willekeurig gekleed en niemand heeft een willekeurig kapsel.”

Waar heb je dat nu weer vandaan?

Als je zin hebt kunnen we hier de hele lecture luisteren en lezen.

http://speakola.com/arts/brian-eno-john-peel-lecture-2015?fb_ref=Default&fb_source=message

Nee laten we even doorgaan met Til.

Oke. Til vervolgde dat onderzoeksmatig er een ‘hangding’ zit in de definitie van betekenisvol. Waarop ik het model van Heijnen erbij pakte en liet zien dat het centrale gebied in Heijnen’s vendiagram de (ideale) ruimte is waarin betekenisvolle verbanden tussen social-culturele thema’s, professionele kunst en populaire cultuur worden gelegd.heijnenstickerNL

Heijnen noemt ‘betekenisvol’ een sleutelbegrip: het impliceert namelijk dat verbindingen tussen de drie domeinen een logische samenhang  moeten hebben.

Waar Til aan toevoegde “het liefst vanuit een affiniteit of een sturing vanuit de jongeren zelf”.

En heb je Til verteld over je playtests?

Jazeker. Ik heb haar alles laten zien inclusief wat er gebeurde door interventies van lezers van mijn  blog en natuurlijk de feedback van Carel Blotkamp.

Kende ze Blotkamp?

En of. Til is als enige van haar lichting cum laude afgestuurd aan de VU en ontving daarom haar bull van de hoogleraar, Blotkamp. Til en ik vinden het allebei een geweldige man. Waar Til aan toevoegde; “omdat hij zelf ook maker is, kon hij best wel goed overweg met mensen die ook vanuit het makerschap kunstgeschiedenis beschouwen. Hij begreep het makerschap ook. Mensen die alleen kunstgeschiedenis studeren, missen eigenlijk de affiniteit met het maken. En dat is toch wel een ding merk ik…..Ik merk dat mijn studenten kunstgeschiedenis  gaan geven…dan gaan ze in een bepaald soort van modus zitten dat ze iets gaan behandelen. Dan krijg je een aantal wetenswaardigheden die ze dan gaan uiten maar het werk dat dan zichtbaar is daar kunnen ze eigenlijk niet de verbinding mee maken. Voor mij ligt nu heel erg de focus op hoe zuig je mensen de kunstwerken in. Ja, dat is jouw ding ook!”

Ze zegt dus eigenlijk dat jij, ook als maker, de kinderen in mijn werk wil zuigen.

Precies Piet. Ik probeer door gebruik te maken van spelprincipes en nieuwe technologie (de culturele wereld van de leerling) ze iets te leren door ze iets te laten maken dat voortkomt uit de praktijk van een kunstprofessional.

En volgens mij combineer je daarbij mijn praktijk en jouw praktijk als kunstprofessional.

Precies!

En hoe zit het dan met Heijnen’s domein van ‘de brede sociale en culturele context’?

Dat vind ik nog een lastige. Maar volgens mij gaat dat over onderwijs en leren. Maar enfin. Ik vervolgde het gesprek met Til met dat er tijdens de playtesten iets heel interessants gebeurde waar ik heel enthousiast over was en dat ik, toen ik dat aan Blotkamp liet zien, hij helemaal niet zo enthousiast was. Waarop Til vroeg “Want? Dat vind ik interessant. Ik merk dat ik in sommige dingen best een beetje, ik denk niet rigide, maar wel dat ik vind dat met het omgaan met kunst, kunst ook zijn werk moet kunnen doen. Het kunstwerk zelf moet zijn werk kunnen doen. Dat vind ik wel een belangrijk ding.”

Ja dat van Blotkamp heb je me  verteld.

Precies. Dus dat vertelde ik Til in het kort waarop ze aanvulde dat toen ze mijn spel in november 2015 zag;

Schermafbeelding 2016-05-15 om 13.07.13

ze dacht “pas er voor op om de suggestie te wekken dat je op deze manier Mondriaans kan maken. Maar dat het recht doet aan het werk en de worsteling die hij heeft doorgemaakt. Zo’n werk maak je niet zomaar. Dat is een lange weg geweest voordat hij die stappen kon zetten. Die kun je hier nu makkelijk nadoen maar, maar ben je daar dan mee bezig. Maar daar ben ik soms een beetje rigide in.

Ik begrijp heel goed wat Til hier bedoelt.

Waarop ik haar antwoordde dat ik het nu ook zo lastig vond, nadat ik zoveel meer over jou en je werk heb geleerd, om dat onderdeel een plek in mijn onderzoek geven. Want hoe maak ik de leerlingen nu nieuwsgierig naar jouw werk.

Dat heb je volgens mij gedaan door ze uit te dagen om, vrijwillig, een opvolger op mijn voorgaande werk te maken.

Klopt. Dus liet ik Til deze zien:

En die vond ze prachtig! Een hele mooie manier manier om jouw ontwikkeling te laten zien. En ik legde haar mijn strategie uit. Dat ik de kinderen, voordat ik ze de opvolger liet maken, eerst ‘aan’ wilde zetten.

Wat bedoel je daarmee?

Nieuwsgierig maken.

Oh ja en dat deed je door te vragen wie de kunstenaar was.

Precies. En, heel essentieel, ze te vragen wie er mee wilde doen. Een van de vier kenmerken van een spel die Jane MacGonigal benoemt in haar boek ‘Beter dan Echt’;

  • vrijwillige deelname
  • duidelijk doel
  • regels
  • feedback

Of zoals je me laatst vertelde “een vrijwillige poging tot het overwinnen van een overbodig obstakel”. Van wie was die ook alweer….was het Suits?

Heel goed Piet. Uiteindelijk wilde ze allemaal meedoen.

Maar je gaf ze de keuze.

Dat zei Til ook. En ze was, net als ik voor de playtest, nieuwsgierig naar de zoektermen. Dus deelde ik die met haar. Waarop ze vroeg waarom ik wilde weten hoe ze zouden zoeken. Of ik ze nieuwsgierig wilde maken. En dat was precies wat ik mee wilde bereiken. Vervolgens liet ik Til zien dat ik dit werk, na het filmpje waarin jouw werken  zo mooi in elkaar overvloeien, op het scherm in de klas liet staat. Waarop Til antwoordde; “Het grappige is, wat er gebeurt nu met het kijken naar dit werk, dat door die vorige film waarin alles in elkaar overvloeit, gaat deze ook bewegen….en volgens mij zien kinderen dat ook.” Toen liet ik Til het werk van de kinderen zien met hun eigen commentaar eronder, die ik een dag na de playtest in de klas had laten zien.

Ze concludeerde uit het voorgaande dat ik , bijvoorbeeld in mijn contact met Blotkamp een bepaald inzicht hebt gekregen waarop ik weer een beslissing heb genomen om een bepaalde kant uit te gaan.

Ik ben dan ook heel nieuwsgierig naar de playtest met de andere klas.

Kom ik nog op terug Piet. Til vervolgde; “die bepaalde kant uitgaan levert iets op. Bij de ene groep levert het op dat ze kennelijk in staat zijn toch te zien welk werk meer en welk werk minder relevant is als volgende stap voor Mondriaan en dat ze op basis daarvan andere keuzes kunnen maken.” Til adviseerde me af en toe boven de materie te hangen en kort te beschrijven wat er gebeurt.

Volgens mij ben je dat nu precies aan het doen door het mij te vertellen.

Ja maar Til bedoelt ook dat het gaat om welke vragen het bij mij oproept. Wat er bij mij gebeurt. En wat voor consequenties dat heeft voor de stappen in mijn onderzoek. Wat ik negeer en welke mooie ongelukjes ik gebruik. Daar moet een kritische component inzitten. Zoals ik van kunsthistorici zoals Carel en Til terug kreeg dat het kunsthistorisch hier en daar rommelt. En dat ik die ook moet kunnen en willen horen en serieus neem. Tegelijkertijd vond Til het mooie dat het doel “Hoe krijg ik jongeren zo gek, in dit geval 10-jarige jongeren, dat ze zich afvragen waarom doet Mondriaan dit zo?” Til adviseerde me om, vanaf het moment dat ik vorig jaar de allereerste playtest deed en wat dat bewerkstelligde, er even boven gaan hangen en mezelf de vragen te stellen die ik me sindsdien heb gesteld en tot welke stap heeft dat geleid. Even uitzoomen, wat voor input heb ik gehad? Omdat, zo zei ze, ik iemand ben die enorm in het doen zit. Dus het goed is om af en toe even uit te stappen en te kijken welke vragen ik heb.

Boven de materie hangen. Mooi! Ik doe niets lievers.

In het kort bedoelt Til een kritische reflectie, een meta-reflectie. Til vervolgde; “het grappige met jouw onderwerp, het gaat over Modernisme, die hebben de breuk met het verleden, die zijn gaan zoeken naar manieren van werken waarbij die traditie en culturele bagage die er was en ontzettend geënt was op die representatie, hoe ze die kwijt konden raken. Ze waren geïnteresseerd in werken van  geesteszieken, primitieve kunst en kinderkunst. Ik denk dat deze 10-jarige kinderen ook kunnen begrijpen dat deze kunstenaars wilden breken met iets. En als je werk laat zien van Bouguereau, halverwege de negentiende eeuw, die bracht goud op met zijn nimfen en blote vrouwen in het water. Dat was, zeg maar de Salon norm. Wat die Modernisten deden werd in een kleine kring belangrijk gevonden maar de grote gemene deler vond het helemaal niks.”

Daar weet ik alles van.

Til denkt dat die kinderen dat ook best kunnen begrijpen. Dat deze kunstenaars wel hun nek hebben uitgestoken. Wat wel lastig is, zo vertelde ze, is de ontwikkeling van het esthetisch oordeel van deze groep kinderen. En, het kan best zijn dat mijn onderzoek iets anders uitwijst, het lastige van wat het niet doet, dat het vooral nog heel sterk een vorm invoelen is. Het vermogen om vormen abstract te zien, als een abstracte entiteit is iets wat verondersteld wordt dat eigenlijk veel later in de ontwikkeling begrepen kan worden.

En daar, Piet, ga ik nu een nachtje over slapen.

Goed idee Cor. Weltrusten. Tot morgen.

Tot morgen Piet.

 

 

 

 

 

 

 

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: